| Spellling |
|
|
|
|
Jantje gaat naar school.
dan steekt hij zijn vinger op:juf ik heeft geen potlood.
juf:het is niet ik heeft geen potlood maar ik heb geen potlood.
hij heeft geen potlood zij heeft geen potlood wij hebben geen potlood.
ik, hij of zij had geen potlood en wij hadden geen potlood. nou zegt jantje donder maar op met die rot school als niemand potloden heeft. |